Fokkersavond BWP Zuid-Oost-Vlaanderen: paard & voeding

Afbeelding
fokkersavond Zuid Oost Vlaanderen
Jo De Roo

Het bestuur van de fokkersvereniging BWP Zuid-Oost-Vlaanderen mocht op 24 november laatstleden tijdens haar fokkersavond meer dan 300 personen verwelkomen. Het doek in de nokvolle theaterzaal van het cultureel centrum van Oosterzele werd geopend met een voordracht van Nick Adriaensen over “Paard en voeding”.

 

De 40-jarige Nick Adriaensen is technisch commercieel verantwoordelijke in het bedrijf Voeders Lannoo. Als ruiter geniet hij bekendheid in o.a. LRV- en VLP-middens. Samen met zijn vader fokt hij veulens met het achtervoegsel ‘V/D Middelstede’. In 2004 studeerde hij af als industrieel ingenieur landbouw, optie biotechnologie.

 

De basis

“De basis van het rantsoen bestaat uit vers drinkwater en ruwvoer. Een volwassen paard drinkt dagelijks gemiddeld 30 tot 60 liter water. Sportpaarden die tijdens de zomer presteren en daarbij veel vocht verliezen of bijvoorbeeld ook merries met veulen zullen al gauw 50 tot 60 liter per dag drinken. De kwaliteit van het drinkwater is uiterst belangrijk. Ruwvoer is eveneens een pijler. Een volwassen paard eet per dag 10 tot 15 kg ruwvoer. Komt een paard in een verse weide, dan ligt dat cijfer nog hoger. Zorg ervoor dat u kwalitatief ruwvoer geeft aan uw paarden. Wanneer het schimmels bevat of bijvoorbeeld geen goede smaak heeft, dan kunnen we dat nooit rechtzetten met krachtvoer. Het is de bedoeling dat het ruwvoer voldoende nutriënten en vezels brengt. Waar letten we op bij ruwvoer? Vooral op het feit dat het geen schimmel bevat. Bij hooi is dat minder goed zichtbaar. Een grote baal droog hooi die uit ongeveer 20 procent vocht en 80 procent droge stof bestaat, stoft vaak. Stof in hooi is vaak een indicator van schimmelvorming. We prefereren een vochtgehalte van maximum 15 procent. Een te hoog suikergehalte in hooi is niet ideaal. Dat is nefast voor o.a. hoefbevangenheid, gaskoliek, minder vaste mest, aantasting van de microflora, etc. Zo worden de vezels minder goed verteerd en haalt het paard minder uit zijn basisrantsoen. We streven evenmin naar een te hoog eiwitgehalte. We prefereren een eiwitgehalte van 10 tot 13 procent en een suikergehalte van 8 tot 13 procent. Als de suikerwaarde lager is, dan wordt het hooi vaak minder goed opgenomen omdat de smakelijkheid veel lager is. Is de waarde veel hoger, dan bestaat het risico op de reeds aangehaalde negatieve effecten. Een paard eet in de loop van de dag constant vaak kleine hoeveelheden ruwvezel. Het ruwvoer moet daarop afgestemd zijn. Het is veel gezonder dat paarden een grote hoeveelheid iets armer ruwvoer kunnen eten dan een kleinere hoeveelheid te rijk ruwvoer.”

 

Nick wijst ook op het gevaar van Jakobskruiskruid. “In een weide met voldoende gras zal een paard normaliter niet knabbelen aan Jakobskruiskruid omdat deze gele bloemetjes een slechte smaak hebben. Wanneer het tijdens het maaien in hooi of voordroog terechtkomt, blijven de gifstoffen aanwezig. Deze worden dan door het paard opgenomen. De vergiftiging kan leiden tot leverfalen. We moeten waakzaam zijn voor dit moeilijk te bestrijden onkruid.”

 

“In stallen van professionelen zie ik steeds meer houtvezels als bodembedekker. Ik raad dan steeds aan om een kleine hoeveelheid stro of arm hooi bij te voederen omdat het paard dan constant die vezels ter beschikking heeft. Een paard dat in een goede strostal staat, kan continu peuzelen en speeksel vormen, en zal bijgevolg minder last hebben van een zure maag. Stro kan ook nadelige gevolgen hebben. Voor een paard dat bijvoorbeeld allergisch is aan stro en stof, wordt dat een moeilijker verhaal. Een strostal vergt ook meer ‘workload’ dan een stal met houtvezel als bodembedekker. Een analyse van ruwvoer is voor elke professionele stal een must, zeker in het geval men grote partijen zelf geproduceerd ruwvoer en hooi gebruikt. Ons labo kan zo’n analyse maken. Wie een dergelijke analyse laat uitvoeren, komt alles te weten over de basis van het rantsoen en kan dit afstemmen op zijn verschillende groepen paarden. Koopt men maandelijks een nieuw lot ruwvoer of verschillende kleine partijen, dan is het veel minder eenvoudig om telkens de kwaliteit te laten onderzoeken.”

 

“Ik sprak zopas over het eiwitgehalte. Dat is afhankelijk van o.a. de maaidatum, het maaistadium en de bemesting. We merken dat hoe vroeger men maait, de eerste snede bijvoorbeeld, hoe hoger het eiwitgehalte in het geoogste product. Dit heeft te maken met het feit dat de stikstofbemesting nog meer inwerkt op het gras. Het gras heeft een bladrijker stadium. Het blad heeft een hoger eiwitgehalte, de stengel heeft een hoger suikergehalte. De energie van het gras wordt opgeslagen in de stengel. Op het land wordt door fotosynthese fructaan aangemaakt. Bij graanzetting wordt fructaan omgezet in zetmeel in het zaad. Op basis van de mest zien we dat de eerste snede vaak iets minder goed is. Dat houdt verband met een hoger gehalte aan fructaan en/of eiwit en een lager gehalte aan ruwe celstof. Dit is zeker zo wanneer de eerste snede vroeger gemaaid wordt en feller bemest is. We raden aan iets later te maaien, tot het stadium waarin de graanzetting is gebeurd, tot m.a.w. het gras in zaad komt. Tijdens het maaien zal dan een deel zaad eruit vallen en het energiegehalte van dat gras dalen. Het tijdstip van maaien is daarbij ook belangrijk. Wie ’s morgens maait voor zonsopgang, wint een paar procent minder suikergehalte. Wat de bemesting betreft, geldt de regel hoe meer stikstofbemesting, hoe hoger het ruwe eiwitgehalte. Wie de gewoonte heeft om vroeg te maaien, doet er goed aan om een minder geconcentreerde bemesting toe te passen. Af en toe zien we een afwijkende calcium-fosfor-verhouding. Een paard kan een calciumdeeltje niet onderscheiden van een fosfordeeltje. Wanneer het fosforgehalte in het ruwvoer te hoog is, zal het paard in verhouding te weinig calcium opnemen. Een gebrek aan calcium kan in het slechtste geval leiden tot ontkalking van de beenderen. Uit de analyses die ons labo uitvoert, merken we vaak dat de verhouding van calcium/fosfor 1/1 is. Voor een paard is een verhouding 1,5-2/1 ideaal.”

Nick heeft ook gesproken over krachtvoer (basis en specifiek) en supplementen. “Ik merk dat het toedienen van supplementen aan sportpaarden in de particuliere markt uit de hand aan het lopen is. In principe moet men een sportpaard voor 95 procent in vorm kunnen voederen zonder supplementen. Ruwvoer en krachtvoer zouden moeten volstaan. Voor wat betreft de resterende 5 procent stemt men best af met de dierenarts, de trainer en mensen die in voeding zijn gespecialiseerd. Als een ruiter weet dat hij in zijn trainingsschema nog 30 tot 40 procent marge heeft of in zijn kwaliteit van rijden nog marge heeft, dan heeft het eigenlijk geen zin om heel fel te werken op supplementen, tenzij men een paard heeft met een bepaald probleem dat zou kunnen verholpen worden door het toedienen van supplementen. De basisregel is eenvoudig: tracht te voederen naar de behoefte.”

 

“Tijdens een analyse van een rantsoen van een paard houden we rekening met de verschillende behoeftes: de energiebehoefte, de behoefte aan vitamines en mineralen en de eiwitbehoefte. Wat is de energiebehoefte? Heel simpel uitgelegd: als men dagelijks boven de energiebehoefte voedert, wordt uw paard dikker. Voedert men onder die behoefte, dan wordt het mager. Is het paard mager, dan ligt dit niet noodzakelijk aan te weinig voederen. Het is ook mogelijk dat uw paard te weinig voeder opneemt. Een paard dat 100 kg meer weegt dan het gemiddelde, heeft 1 kg extra krachtvoer of 2 kg extra ruwvoer nodig. Training is ook gerelateerd aan de energiebehoefte. Een uur training komt overeen met 1 kg krachtvoer of 2 kg ruwvoer. Algemeen volstaan 8 kg kwaliteitsvolle ruwvoer en 3 kg krachtvoer per dag als onderhoudsbehoefte voor een paard van 500 kg. De behoefte aan vitamines en mineralen is heel afhankelijk van hetgeen men met zijn paard doet. De eiwitbehoefte is gelinkt aan spieropbouw in het algemeen. Voor te weinig gespierde paarden is het belangrijk om aan hun rantsoen eiwitten met een hoog gehalte aan essentiële aminozuren toe te voegen. We spreken dan o.a. over soja, melkpoeder, lijnzaad en luzerne. Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren. Een paard kan zelf bepaalde niet-essentiële aminozuren aanmaken. De essentiële moeten via de voeding komen. Krachtvoer voor bijvoorbeeld merries in lactatie, dus voor merries die heel veel behoefte hebben aan goed verteerbaar eiwit, bevat een hoger gehalte aan essentiële aminozuren.”

 

Nick had het tijdens zijn discours ook nog over andere thema’s, zoals koliek en de verschillende soorten (zoals verstoppings-, zand-, kramp-, gas- en stresskoliek), spierverzuring (heeft vooral te maken met te hard werken in verhouding tot de conditie van het paard; veeleer dan met voeding), vitamine E en Selenium. Aansluitend gaf Nick enkele voorbeelden van voeding gerelateerd aan de fokkerij (o.a. drachtige merries, verhoogd risico op OCD bij veulens van merries met overgewicht, veulens en jonge paarden in de opfok). Na de voordracht werden verdienstelijke fokkers gehuldigd. De namen en foto’s zullen jullie over enkele dagen kunnen zien op de Facebookpagina van BWP Zuid-Oost-Vlaanderen.

 

Auteur: Jo De Roo